Hoogtijd

Geschreven op donderdag 28 januari 2021

De koning van een vergeten land had zorgen.

Hij werd oud en dacht bij zichzelf: ’Hoe zal mijn volk zijn koning herinneren?

De koning besloot er werk van te maken en riep zijn ministers bijeen voor een spoedberaad.

‘Hoog tijd om werk te maken van mijn nalatenschap.’

Hij gaf opdracht om in elke stad van zijn koninkrijk een standbeeld van hemzelf op te richten.

De volgende dag riep hij alweer zijn ministers bijeen.

‘Het is hoogtijd voor een nieuw statieportret.’

De dag nadien zei hij tegen zijn ministers:

‘Het is hoogtijd om een kathedraal te bouwen ter ere van God en mezelf.’

Zo ging het dagen aan een stuk, hoogtijd voor dit, hoogtijd voor dat.

Het duurde dan ook niet lang of de Eerste Minister vroeg een auditie bij de koning aan. Hij smeekte: ‘Mijne Hoogtijd, ik bedoel Mijne Hoogheid, als we al uw plannen moeten realiseren gaat dat de schatkist handen vol geld kosten.

Maar de koning had daar geen oren naar en bleef broeden op nieuwe plannen om zich onsterfelijk te maken in de ogen van zijn onderdanen.

Op een mooie zomerdag zat hij op een bank in de koninklijke serre.

Dat doen oude mensen nu eenmaal vaak. In de zon zat de koning verder te piekeren wat hij nog allemaal kon doen.

Zijn trouwe tuinier sprak hem aan en zei: ‘Sire mag ik zo vrij zijn om Uwe Hoogheid enkele suggesties te geven hoe U zeker niet vergeten zult worden? Doe iets waar het volk zelf beter van wordt, doe iets aan de armoede en U zal op handen gedragen worden.’

Daar had de koning wel oren aan naar en riep stante pede zijn Minister van Financiën bij zich.

‘Geef elke maand een dukaat aan al diegene die in een weeshuis of een godshuis verblijft. Vergeet ook de bedelaars niet.

 Ik wil niet dat iemand nog in armoede leeft in ons Koninkrijk.’

De Minister van Financiën sloeg bleek uit, werd niet goed, maar wat wil je de wil van de koning was wet.

‘Uw wil geschiede Sire, maar geef me dertig dagen om alles in goede banen te leiden.’

De koning liet het er niet bij en ontbood ook de Minister van Defensie bij zich.

‘ Minister, schaf het leger af en maak er een burgerwacht van die de bevolking moet helpen bij kleine of grote tegenslagen. Ik zal U dan benoemen tot Minister van Civiele Bescherming.’

De koning had een nieuw woord uitgevonden, maar daar werd de Minister van Defensie niet vrolijk van.

‘Uw wil geschiede Sire, maar geeft me dertig dagen om alles in goede banen te leiden.’

Geloof of het, of geloof het niet, enkele dagen later overleed de oude koning in zijn slaap.

‘Dat was hoogtijd’, dachten de Ministers opgelucht.

Kwade tongen zegden dat de koning vergiftigd was door de opperbevelhebber van het leger. Een generaal kan immers niet zonder leger.

Wat er ook van zij, het volk bleef zijn koning, die geloofde in sprookjes, herinneren als een goede vorst.

 Hij rustte in vrede, zijn wens was uitgekomen.

De Dood vond het jammer dat hij de oude koning halen moest. Hij had geen keuze.  Zijn tijd was gekomen.

De sterftedatum van de koning stond immers ingeschreven in het Grote Tijdenboek. Daar kon zelfs de Dood niets aan veranderen.

De Dood keek naar de volgende naam in het Grote Tijdenboek.

Het was tijd om hem te gaan halen.

Hoogtijd.